Impressies van ‘Ik geloof het echt (niet)!’

Auteur: Riekje Van Osnabrugge 9 januari 2019


NEWConnective organiseerde in samenwerking met het Humanistisch Verbond: Ik geloof het echt (niet), een ‘talkshow’ over de vrijheid om van gedachten te veranderen. Jonge mensen waren uitgenodigd om te openhartig te vertellen over hun afscheid van het bekende.
Ze zijn afkomstig uit islamitische, humanistische of christelijke kringen, en vonden een nieuw onderdak in een alternatieve levensbeschouwing. Wat ze gemeen hebben is hun individuele besluit om in vrijheid van gedachten te veranderen. Riekje, life-counselor en studentenpastor bij NEWConnective, blikt terug op deze bijzondere avond.

De avond van NEWConnective over ‘van mening of geloof veranderen’ begon in een huiselijke opstelling: alle stoelen in een halve carré rond een paar tafels waar de gastsprekers zaten, wat roosjes in een pot, thee & koffie, koekjes en koel water uitnodigend bij de ingang. Voor de echte sfeer zorgden vooral de vastberaden bezoekers die blijkbaar liever in een zaaltje op de zevende verdieping van de VU zaten, dan op een Amsterdams terrasje gesmoord te worden. Het was dinsdag 8 mei, de mussen vielen buiten van het dak. We beloofden een open en eerlijk gesprek tussen vier jonge mensen Alle vier hadden ze meer of minder abrupt afscheid genomen van hun oude godsdienst/levensbeschouwing en er bewust persoonlijk voor gekozen om een andere richting in te slaan. Aanleiding voor het organiseren van de avond was het boek van Boris van der Ham en Rachid Benhammou, Nieuwe Vrijdenkers, met verhalen van voormalige moslims. De insteek van NEWConnective ging echter iets breder: Hoe voelt het om je oude vertrouwde manier van denken en geloven op te geven en een andere richting te kiezen? Hoe reageert de omgeving, wat kost het en wat brengt het je? De bezoekers en gasten vormden een gemêleerd gezelschap: voornamelijk jong, maar ook wat ouderen.  Al kon je hen niet direct als zodanig identificeren, onder de aanwezigen bevonden zich toch in elk geval twee homoseksuele mannen, wat rechtgeaarde humanisten, enige christenen waaronder een dominee, een evangelicale protestant, enkele vluchtelingen uit het Midden Oosten en minstens twee moslima’s. Ongetwijfeld vervulden sommigen minimaal een dubbelrol. Hoofdregels voor het gesprek waren: er wordt niemand gebasht, geen religie beschimpt, geen hiërarchie opgeëist en door niemand actief zieltjes gewonnen. Al deze ingrediënten samen leverden inderdaad een mooi gesprek op, met vuur en emotie, respect en nieuwsgierigheid en bovenal: met veel wederzijdse herkenning én vrolijkheid.

Vragen
Van islamitisch naar ‘atheïstisch vrijdenker’

Fatima begon als kind al vragen te stellen aan haar moeder. Over de hel, de hemel, het vasten, wat een goede moslim is. De antwoorden bevredigden haar niet, ze kreeg alleen maar meer vragen. Ze trouwde jong met een ouder familielid, raakte snel zwanger, woonde in bij de schoonfamilie. Maar de relatie liep spaak, Fatima vluchtte terug naar haar ouders en kreeg daar haar dochter. Haar hang naar kennis bleef: haar laborantenopleiding deed weer nieuwe vragen opkomen over de islam. Ze verdiepte zich in die religie zelf, op zoek naar ervaring van het geloof. De Koranlessen en de verhalen eromheen brachten echter niet het verhoopte religieuze gevoel. Alle rituelen bleven buitenkant, hoe hard ze ook probeerde. Ze constateerde toen dat ze atheïst was.

Een tijd verborg ze het voor haar ouders, om hen niet te kwetsen en ook om te ontkomen aan hun onvermijdelijke verdriet, verwijten en overredingspogingen om terug te keren. Na haar coming-out kwamen die er inderdaad, behoorlijk heftig, maar ze bleef trouw aan zichzelf en wilde geen dubbelleven leiden.

Na een breuk van een aantal jaren is het contact tussen Fatima, haar moeder en haar oudste dochter weer hersteld. Ze hebben een modus vivendi gevonden: in hun gesprekken wordt elke hint naar religie gemeden. De band van de liefde heeft hen weer samengebracht, al is Fatima’s moeder nog steeds verdrietig dat ze haar dochter later niet in de hemel zal tegenkomen. Maar wat je niet noemt, is er niet.

Hypocrisie en mee moeten doen om niet af te wijken


Van evangelicaal/ Pinksterachtig naar ‘spiritueel zonder religie’

Anouk ging als kind heel vanzelfsprekend mee naar de Pinkstergemeente-achtige kerk van haar ouders. Maar na een tijdje ging het knagen: leeftijdgenoten die zich rond hun zeventiende lieten dopen, bleven precies hetzelfde leven leiden als ervoor: veel drinken, blowen, roddelen, noem maar op. Terwijl Anouk ervan overtuigd was, dat wie echt bewust christen wilde zijn, daar dan ook naar ging leven. Ze vond hen hypocriet. Ook volwassenen bleken lang niet altijd model-christenen te zijn, wat ze wel pretendeerden.

Gelukkig verlieten haar ouders de gemeenschap en Anouk ging met ze mee. Ze raakten verzeild in een Evangelisch-getinte, modern ogende Amsterdamse gemeenschap, waar veel vuur en halleluja was, met popmuziek en vrolijkheid. Ze liet zich meevoeren met de massa. Ging ook naar voren om voor zich te laten bidden. Maar voelde niks, behalve afkeer en verwarring. Intussen studeerde ze Religiestudies, in de hoop meer te begrijpen van religiositeit en daar wellicht haar eigen weg in te vinden.

Toen toevallig háár geloofsgemeenschap werd uitgekozen als object van een case-studie binnen haar opleiding, raakte ze opnieuw teleurgesteld: hun charismatische voorganger ging compleet in het defensief toen haar nieuwsgierige mede-studenten hem in een gastles de oren van het hoofd vroegen. Alsof de gretige studenten alles wat hij vertelde in twijfel trokken en hem aanvielen! Kennelijk was er voor vragen stellen geen ruimte in de gemeenschap, concludeerde ze. Terwijl Anouk zelf intussen juist barstte van de vragen. Ze besloot vanaf toen alles wat naar kerk zweemde, te mijden. En zoekt intussen naar antwoorden. Bijvoorbeeld op de vraag wie je zelf eigenlijk bent, los van een gemeenschap waarin vóór je gedacht en besloten wordt.

Thuiskomen, gezien en gekend worden
Van ‘niks’ naar evangelicaal-protestants

Robert Jan ging een omgekeerde weg. Atheïstisch opgevoed door een van oorsprong Anglicaanse moeder en  een protestantse vader, kreeg hij rond zijn zeventiende belangstelling voor kerken. Zijn vader, die nooit ergens aan had gedaan, nam hem mee naar allerhande katholieke kerkdiensten. Hij vond het er doodsaai. De rituelen waren wel mooi, maar er zaten alleen oude en grijze mensen. Hij werd door niets geraakt. Op uitnodiging van een vriend bezocht hij een evangelische viering, met bijna alleen jongeren, toffe muziek en vooral: warmte en hartelijkheid. Hij werd aangesproken, welkom geheten, kreeg allerlei nieuwe vrienden. Hij voelde zich thuis komen. Klein probleem was wel dat hij openlijk homoseksueel was, maar dat onderwerp werd vooral gemeden. Overenthousiast stortte hij zich volledig op zijn nieuw gevonden geloof. Tegen iedereen begon hij over Jezus, wat vooral onder zijn oude atheïstische maten veel afgrijzen wekte.

Met name die oude vrienden snappen er niks van. Waarom zou je bij een club willen horen die jou uitsluit als homoseksueel? Anderzijds maken zijn nieuwe reli-vrienden die hem bijna geheel hebben opgenomen, nog steeds wel dat ene voorbehoud. Waardoor hij er dus eigenlijk tegelijk tussen én buiten staat. Het zorgt er wel voor dat hij zich vaak aan de kant voelt staan van mensen die uitgesloten en veroordeeld worden. Dat komt hem als theoloog in spe altijd van pas.

Kennis, kennis, kennis
Van protestants naar islamitisch

Cornelia, een weekje over uit Engeland, volgde weer een andere route. Opgegroeid in een meelevend Nederlands-Hervormd  gezin, was ze als kind altijd al wel bezig met geloof en religie, vooral met islam. In haar eigen kerk miste ze de belevingskant. Ze  begon zich steeds meer in de islam te verdiepen, onder andere via haar studie Arabisch. De islamitische theologische leer sprak haar meer aan dan de christelijke die ze meekreeg. Bijvoorbeeld het gegeven dat je als moslim zowel volledig individu kunt zijn én deel uitmaakt van een collectief. Ze besloot rond haar 20e moslima te worden. In het begin verborg ze het voor haar ouders. Rolde snel haar gebedskleedje op in haar kamer, zat in een kast te bidden. Later durfde ze het wel te bekennen. Haar ouders hadden het natuurlijk al gemerkt, ze begon zich anders te kleden. Ze respecteerden haar keuze, maar vonden het wel jammer dat ze niet in haar eigen traditie de antwoorden had gevonden.

Cornelia experimenteerde met verschillende (uiterlijke) vormen van moslima zijn: met hoofddoek en zonder, met en zonder make-up, opvallende vrouwelijke én allesverhullende kleding, enz. Ze ondervond hoe ze als moslima ineens als tweederangs vrouw werd behandeld, en besefte overigens dat ze als vrouw hoe dan ook een andere positie heeft dan de ‘witte westerse man’. Haar keuze roept vaak afkeer en onbegrip op en ze ervaart dat het voor buitenstaanders moeilijk te verkroppen is dat zo’n mooie slimme dame met zilverblonde haren en blauwe ogen uit vrije wil en overtuiging een moslima is.  “Je zult je wel voor een man hebben bekeerd.” Cornelia noemt zichzelf nu niettemin een kritische moslima. Hoewel ze het soms moe wordt te moeten uitleggen dat en waarom ze moslima is, blijft een publiek gesprek belangrijk voor haar. Niet alleen vanwege de inhoud, maar vooral ook vanwege het voeren van het gesprek zelf.

Herkenning

Onderling bleken de vier gasten veel raakvlakken te hebben: het besef en de ervaring dat de eigen keuze bezorgdheid, verdriet en ongeloof teweeg zou brengen bij ouders en de naaste omgeving, wat een spontane coming-out vertraagde. De verantwoording die de groep die verlaten werd van hen eiste werd ook herkend. Vaak had het viertal het gevoel dat hen de maat werd genomen, ook wel door de mensen uit de nieuwe omgeving! ‘Je moet wel sterk in je schoenen blijven staan tijdens dit zoekproces naar je eigen identiteit, want voor je het weet ben je weer ergens ingelijfd’. Veel herkenning was er bij de term: ‘act of agression’: mensen kunnen subtiel agressief zijn wanneer ze je beschuldigend ter verantwoording roepen over iets wat jij doet en wat hen niet aanstaat. Zoals iemand die oogt als een moslim maar wel bier drinkt, een vlotte meid die toch een hoofddoek draagt, een christen die toch homo is (of andersom).


‘hoe zou je het vinden als jouw eventuele kinderen zich ooit zouden ‘terug-bekeren’ tot waar jij jezelf bewust aan hebt ontworsteld?

De drang om meer kennis te vergaren van de godsdienst of van het fenomeen geloven om zo een betere keus te kunnen maken, herkenden ze eveneens in elkaar, evenals het onbehagen over ontoereikende en ontwijkende antwoorden van de ‘oude’ omgeving. Alle vier bleken ze, al dan niet bewust, steeds op zoek te zijn naar echtheid, authenticiteit, in de hoop om van binnen geraakt te worden door iets waardoor je innerlijk beseft: ZO is het (en zo dus niet).Na de pauze kwam via bezoekersvragen het spanningsveld ter sprake dat ontstaat tussen jou en de groep waartoe je behoort: in hoeverre krijg of neem je de ruimte voor je eigen vrijheid om als hartstochtelijk lid van de club af te durven wijken van wat die groep ‘normaal’ vindt? Hoever reikt die vrijheid dan? Wat doe je als je zo toch over het randje dreigt te gaan vallen? 

Tenslotte vroeg iemand: ‘hoe zou je het vinden als jouw eventuele kinderen zich ooit zouden ‘terug-bekeren’ tot waar jij jezelf bewust aan hebt ontworsteld?
Deze vraag bleek eigenlijk alles terug te brengen tot de kern: hoe ga je om met de spanning tussen wat volgens jou vrijheid is en de levenswijze die daarbij past en de ervaring dat jouw kind of geliefde een weg kiest die volgens jou niet tot vrijheid leidt? En hoeveel vrijheid durf je ze dan te geven? De reacties waren even ontwapenend als ontroerend persoonlijk:

Fatima biechtte op dat haar dochter op haar zevende, na een zoveelste nare aanvaring van Fatima met haar moeder, eens vroeg: “Mam, wat zou je ervan vinden als ik later moslima word?”. Fatima voelde zich door de grond zakken: zou ze het ooit verdragen als haar eigen dochter toch de weg zou gaan die zij zelf juist met alle pijn en moeite had verlaten? Zou ze aan de andere kant haar dochter kunnen verbieden juist ook in vrijheid háár weg te gaan? Ze hoopt van wel, maar ook dat die dag niet komt.

Anouk merkt nog dagelijks haar eigen allergie voor alles wat naar hechte gemeenschap en groep riekt en vooral voor de groepsdwang daarbinnen. Ze hoopt dat haar eigen kinderen, als ze ooit komen, iets zullen meekrijgen van het belang van jezelf durven zijn en zoeken, maar ze zit nu zelf nog midden in dat proces.

Cornelia  is van plan haar eigen geloof uit te dragen naar haar kinderen. Maar meer nog dan geloof, zijn voor haar het meegeven van traditie en cultuur van groot belang. Daarin kunnen haar kinderen zich hopelijk zelf ontwikkelen.  

Robert Jan bekende dat hij zich eigenlijk geen zorgen maakte of het pleegkind van hem en zijn man al dan niet openlijk christen zal worden. “Ik zou het geloof ik erger vinden als dat kind later heel veel vlees wil gaan eten of op een erg rechtse partij gaat stemmen. Ik vind het veel belangrijker hoe je in de wereld staat dan vanuit welk geloof je dat doet.”

Hoe belangrijk elk van ons het ook vindt om in vrijheid een eigen weg te gaan, zoekend naar wie we zijn of kunnen worden, we zijn allemaal mensen te midden van andere mensen. Liefde, familiebanden, loyaliteit, trouw zijn aan je opvoeding of aan jezelf…al die factoren samen maken het niet gemakkelijk om mens te zijn, maar ze houden ons wel scherp!

Hieronder staat het gedicht waarmee deze prachtige en persoonlijke avond werd afgesloten.

Lijst

Ik heb een lijst van vragen opgesteld

waarop ik het antwoord niet zal weten,

of omdat het er te vroeg voor is of

omdat ik het niet kan bevatten.

Die lijst van vragen is lang, roert

belangrijke en minder belangrijke kwesties aan,

en omdat ik u niet wil vervelen

doe ik er maar een paar uit de doeken:

Wat was werkelijk

en wat hoogstens schijn

op dit schouwtoneel

van en onder de sterren,

waar behoudens een toegangskaartje

ook een uitgangskaartje is vereist;

hoe zit het met de hele levende wereld

die ik niet met een andere levende

zal kunnen vergelijken;

waarover zal de krant

van morgen schrijven;

wanneer houden de oorlogen op

en wat komt ervoor in de plaats;

aan wiens vinger zit

mijn trouwring nu,

mij ontstolen — verloren;

waar is de plaats van de vrije wil,

die het klaarspeelt er tegelijk

te zijn en niet te zijn;

hoe zit het met tientallen mensen —

hebben we elkaar werkelijk gekend;

wat probeerde M. mij te zeggen

toen ze niets meer zeggen kon;

waarom hield ik slechte dingen

voor goede

en wat heb ik nodig

om me niet meer te vergissen?

Bepaalde vragen noteerde ik

net voor ik in slaap viel.

Toen ik wakker werd

kon ik ze niet meer lezen.

Soms heb ik het vermoeden

dat het in feite geheimschrift is.

Maar dat is ook een vraag

die me ooit zal verlaten.

Wisława Szymborska

uit: Het moment, Meulenhof 2007